Een blik in Gods hart (n.a.v. Hosea11)

Categorieën: 

Onderstaand de inleiding die ik deze week heb gehouden op de bijbelstudievereniging van onze gemeente:

Zingen: Nooit kan't geloof teveel verwachten (melodie ps 118)

Lezen: Hosea 11

Hij heeft het opgenomen voor Israël, Zijn knecht, door aan Zijn barmhartigheid te denken

Toen ik rond de kerstdagen met mijn inleiding begon en me had verdiept in de vanavond te behandelen hoofdstukken, stuitte ik op dit vers en trof me de prachtige lijn die je kunt trekken van Hosea naar Lukas 1. Want... Waarom neemt God het op voor Israël? Zeker niet om Israël zelf. Dat is wat we in de afgelopen hoofdstukken voortdurend hebben geleerd, en ook vanavond weer zullen zien: Israël, maar niet alleen zij, ook wij, zijn weglopers, afhakers, deserteurs. En wat doet God? Hij neemt het op voor Israël. Doet wat Hij op Zijn hart heeft. Gods hart, daarin schittert Zijn barmhartigheid. De NBV zegt: God trekt Zich het lot aan van Israël. En zeg nu zelf: Als je oog krijgt voor het feit dat God Zich jouw lot aantrekt, dan val je toch stil?

Je zult begrijpen dat ik me voor vanavond geen heerlijker onderwerp had kunnen wensen. Het is mijn gebed en verlangen dat we vanavond iets van die verwondering in God mogen proeven waaraan Maria, Zacharias, Simeon en vele anderen hun hart hebben opgehaald en waarvan ze hebben getuigd!

Gods hart & mijn hart:

Het zal vanavond een rondgang zijn door de bijbel, waarbij we diverse plaatsen zullen aandoen om iets van Gods hart te zien. Allereerst wil ik met jullie 2 verzen lezen uit Exodus 34: vers 6-7:
6 * Toen de HEERE bij hem voorbijkwam, riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw,
7 * Die goedertierenheid blijft bewijzen aan duizenden, Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft, maar Die de schuldige zeker niet voor onschuldig
houdt en * de ongerechtigheid van de vaders vergeldt aan de kinderen en kleinkinderen, tot in het derde en vierde geslacht.

In deze 2 verzen staat de geschiedenis centraal waarin Mozes die indrukwekkende en voor hem brandende vraag stelde: Heere, toon mij Uw heerlijkheid! Even tussendoor, heb je ook wel eens dat verlangen gehad? Niet een verlangen naar meer van deze wereld, want dat zit over het algemeen wel aardig in onze genen. Nee, ik bedoel nu een verlangen naar meer van God en Zijn heerlijkheid? Ten diepste om ook zelf steeds meer van dat heerlijke beeld te vertonen? Om boven alles van dit leven uit te smaken en proeven dat Hij goed is? Om zogezegd te smullen van wie Hij in Christus voor je is en wil zijn?
In deze verzen roept God Zijn Naam uit. Verzen die je deze week nog maar eens moet lezen in de context van het hele gedeelte. Maar waar God Zijn Naam uitroept, roept Hij ook Zijn hart uit! Nu wil ik me vooral concentreren op het 'hart'. En om dat te doen, wil ik je het volgende vragen:

*Zet die 4 woorden uit vers 6 nog eens even voor jezelf op een rij: barmhartig, genadig, geduldig, rijk aan goedertierenheid en trouw,

Nu nemen we een minuut om deze woorden te overdenken als onderdeel van Gods Naam, waarin God ten diepste Zijn hart toont. Schrijf eens op wat er bij je boven komt?

Graag wil ik er zomaar 1 met je delen: Ik hoorde pas een preek met als thema ‘geduld’. Het woord ‘lankmoedigheid’ werd door de predikant vertaald als: Lang van moed, God houdt er lang de moed in. Bij uitstek wat je in het hele boek Hosea terug ziet komen, toch?

*Vervolgens wil ik je vragen je eigen hart op de 4 zojuist genoemde woorden te projecteren. Leg ze er in de komende stille minuut gewoon alle 4 eens kort naast... Wat herken je van deze woorden in jezelf?

OK, ik denk dat we nu zijn waar we willen zijn: Hoeveel goedertierenheid heb je bij jezelf ontdekt? Hoe genadig ben ik in de afgelopen tijd voor mensen geweest die me dwars zaten of tegenwerkten?
Nu zou je kunnen zeggen: “Met deze verzen hebben we iets van Gods hart gezien en wat wij daar tegenover stellen. Maar wat wil je hiermee nu precies bereiken?” Laat ik het de grondhouding noemen, een woord wat ik onze predikant de laatste tijd in de preken ook wel eens heb horen noemen en wat me wel aanspreekt. Vanuit welke grondhouding dienen jij en ik de Heere eigenlijk? Is het inderdaad de houding van verootmoediging en verwondering, omdat we hoe langer hoe meer beseffen hoe nietig en menselijk we zijn? En spreek ik alleen voor mezelf als ik zeg dat ik me daarvan maar zo weinig bewust ben?
Begrijp me goed, het is niet mijn bedoeling om te blijven hangen in onze zondige nietigheid. Wat wordt dat ook vaak als een dooddoener gebruikt om mensen vol te stoppen met depressieve en negatieve gedachten over zichzelf. Laat ik het vanavond eens anders stellen: We maken God niet groter als we maar zo veel mogelijk bij onze zonden stilstaan. Nee, volmaakte aanbidding ligt volgens mij in het ons verlustigen in de Heere. Overstromen omdat Hij een overstromende Bron van genade is! En zeg nu zelf, dan is toch het laatste wat je wilt in je eigen zonden blijven hangen? Doen we Hem niet juist daarmee tekort als we menen dat het bloed van Christus ontoerijkend zou zijn voor onze zonden?

Des te groter wordt daarom het wonder als we ons nu realiseren dat God ons nota bene een blik in Zijn hart gunt. En zet dat eens af tegen al die voorgaande hoofdstukken waarin we lazen van afkeer, verharding en het voortdurend tekort doen van Zijn trekkende liefde? Zet dat ook eens af tegen je eigen hart? Dat God zulke mensen wil laten zien wat in Zijn hart is, daar kan ik niet bij.

We hoeven dus niet alleen in ons eigen hart te kijken, maar mogen dankzij Gods goedheid zien in Zijn hart. Laten we daarvan vanavond eens wat onderstrepingen lezen, niet om vanavond verder uit te werken, maar wel om ons te verwonderen over zoveel genade!

Lezen bijbelgedeelten: Gods hart: Luk 15:11-24, Mat 11:25-30, Mat 27:27-35

Aansluitend hierop zingen: in een donker graf gevangen

Graag wil ik met jullie nog nadenken over wat lijnen vanuit Hosea11:
Wat een diepte zit er eigenlijk in profetische boeken zoals bijvoorbeeld het boek Hosea. Neem nu direct vers 1 van hoofdstuk 11: Daar zegt God 2 dingen:
1 Toen Israël een kind was, had Ik hem lief,
en uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.

Een kind liefhebben is niet zo moeilijk. Kijk eens naar ze als ze liggen te slapen, als ze je met hun liefste glimlach komen vertellen dat het goed ging op zwem- of muziekles, als ze je begroeten nadat je ze een dag niet gezien hebt. Ja, soms plak je ze graag achter het behang, natuurlijk. Maar toch...
Ouders onder ons, hoe graag willen wij de controle over onze kinderen houden? En dan zijn onze kinderen, als we ze hebben, nog relatief jong. Hoe vergaat het ons als we 10 jaar verder zijn?

Er is er één die Zijn kinderen met eerbied gesproken, nooit achter het behang plakt. Dat ontneemt hen namelijk hun vrijheid. En God laat ons vrij. God legt ons geen hard juk op. Zijn juk is zacht, want het is Zijn verlangen dat we Hem uit liefde in vrijheid dienen. Daarmee begon God immers al in het paradijs.
We hebben hier te doen met de Vader van de verloren zoon. Een zoon die er alles doorbracht met hoeren en foute vrienden.
Denk eens na over het volgende: God heeft Zijn kinderen niet lief omdat ze zo lief zijn, maar ondanks wie ze zijn en omdat ze Zijn kinderen zijn. Ken je die God als Vader? Schep dan vreugde in deze ongekende genade. Abba, Papa, Vader, U behoor ik toe. Zoals ik van mijn kinderen houd omdat ze van mij zijn, zo houdt God van Zijn kinderen omdat ze van Hem zijn. Weggevende liefde. Want God zegt niet: Jij moet Mij liefhebben, jij moet om Mij geven. Nee, Hij begon, Hij begint met Zichzelf te geven. Of was het in jouw leven misschien anders?

Hoe dat kan?
God riep Zijn volk, Zijn eerstgeboren Zoon. Uit Egypte, uit het diensthuis,
Hij riep ook Christus, die dienstknecht werd om mensen uit het diensthuis te leiden. Galaten 5 zegt:
1 Sta * dan vast in de vrijheid waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft, en laat u niet weer * met een juk van slavernij belasten.
En in vers 13 staat: Want u bent tot vrijheid geroepen, broeders, * alleen niet tot die vrijheid die aanleiding geeft aan het vlees; maar dien elkaar door de liefde.
En Petrus schrijft in 1 Petrus 2:16:
als vrije mensen, maar niet alsof u de vrijheid hebt als een dekmantel voor slechtheid, maar als dienstknechten van God.

Maar wat is onze realiteit? Hoe meer God ons roept, hoe meer we bij Hem weg lijken te lopen. Let wel, het is God die Israël leerde lopen, vers3. Opnieuw blijkt dat God geen slaafse vrees wil, maar liefdedienst. God leerde hen lopen om op eigen benen te staan. En waar dragen die eigen benen hen en ons naar toe? Naar God, of naar afgoden waar zij en wij het beter denken te hebben? Ik denk nog even terug aan het vorige hoofdstuk: Alle goede gaven van God zonder verblikken of verblozen over de schutting op het altaar van de buren offeren?

God nam hen op Zijn armen. Ik doe dat bij onze jongste, ik draag hem omdat zelf lopen nog te snel gaat, te ver is, hij zou kunnen vallen op ongeëffende grond. Zo is God: Hij weet dat we zelf niet of niet ver kunnen lopen alvorens te struikelen. Dag aan dag draagt Hij ons. Of struikel jij nooit? Ik in ieder geval regelmatig.

Maar wat deed het volk Israël in de woestijn? Morren, murmureren, zeuren, ze schoven God aan de kant. Is het ooit goed genoeg voor ons? En wat deed God? Hij leerde Zijn volk ook in de woestijn lopen. Lautre goedheid, liefdekoorden. Want al zijn wij soms zo'n beetje klaar met God, hij is goddank niet klaar met Zijn volk!

Mag ik vanavond eens een vraag stellen aan jou die diep in je hart weet dat het nog niet goed is tussen God en je ziel. Wat zoek je eigenlijk in dit leven? Waarin vind je je vreugde? Hoe gelukkig ben je nu echt? Hoe zeker zijn de dingen in je leven? Sta je op het punt van wegvoering naar Babel, of zoek je een ander perspectief? “Nee, natuurlijk niet” zeg je, want er is toch niemand die God zoekt? Begin dan met dat vanavond direct tegen God te vertellen. Beleid Hem dat het dus in ieder geval niet bij jou vandaan zal komen en laat jezelf genadig failliet verklaren door het werk van Christus!

Wij horen en lezen nogal eens over Gods toorn over de zonde. Die is er en laten we dat feit niet wegpoetsen. Wij vertellen veel liever over Gods liefde dan over Zijn toorn. Maar in vers8-11 lees ik iets heel bijzonders wat de toorn van God in een totaal ander perspectief zet:
Daar wordt Gods hart pas echt zichtbaar. Een hart wat zich in Hem omkeert van verdriet, heilig en rechtvaardig verdriet om weglopers die het zo nodig zelf uit willen zoeken en zelf beter menen te weten. Voel je het heilige spanningsveld wat hier zichtbaar is? Wat iets toont van Gods diepste verlangen? Het verlangen van johannes 3:16? Nee, daarvoor hoef je de toorn van God echt niet aan de kant te schuiven. Maar wie zo'n liefdeaanbod vertrapt, vertrapt het Liefste wat God voor vijanden over had en moet juist daardoor rekenen met Zijn toorn.

In deze verzen wordt nieuwtestamentisch iets zichtbaar van Gods opzoekende liefde in Christus. Zou die liefde je niet verbreken? Nee, je hoeft zelf echt niets mee te brengen. De verloren zoon had echt alleen maar zijn smerige en versleten kleren die stonken naar de varkens om mee aan te komen bij zijn vader. Zo hoef ook jij niets mee te brengen.
Maar poets jezelf dan niet op voor je naar Christus vlucht. Doe jezelf niet beter voor dan je bent. De vader omarmde zijn zoon, smerig en stinkend als hij was. Er staat nergens dat hij terugdeinsde, hem eerst liet wassen. En let op: De verloren zoon wast zichzelf niet, hij wordt gewassen.
En om nog even bij de verloren zoon te blijven: Ook lees ik nergens dat de Vader zegt: Vertel eerst maar eens wat je allemaal uitgevreten hebt, met hoeveel vrouwen je het bed hebt gedeeld, in hoeveel smerige tenten je jezelf hebt bezat. Bij ons mensen is het: Laten we eerst eens uitvoerig praten, dan hebben we het daarna over het vervolg. Bij God is het precies andersom: Eerst genade, dan praten we er nog eens rustig over.

En jij, zoekende ziel, die niet weet hoe je van zonden vrij in het reine komt met God? Zeg eens eerlijk: Put je uit jezelf, graaf je in jezelf, zoek je het in het verbeteren van je moraal? Stop maar gerust, het zal je geen vrede brengen. Je hoeft het geluk ook niet met alle geweld uit dit leven te persen. Christus moest geperst, verdrukt worden om ons de volmaakte vrede te kunnen brengen.

En hoe langer hoe meer ons hart open komt te liggen voor de hemelse Vader, hoe meer we ontdekken dat ons dienen van Hem zelfs nog bijbedoelingen kent. Zoals die zoon zei: Ik ga naar mijn vader, misschien is er nog een plekje als huurling, dan heb ik in ieder geval een dak boven mijn hoofd. Of met andere woorden: Ik zoek God omdat ik niet naar de hel wil. Goed, als dat zo is, vertel Hem dat dan!

En, als je iets kent van Gods heerlijke werk in je leven, maar het is allemaal zo ingezakt: Dan zegt God vanavond tegen je: Hoe zou ik je prijsgeven? Hoe kan ik je loslaten, als Mijn Zoon Zich heeft gegeven als een volmaakt offer? Ik zou Mijn Zoon tekort doen als ik je zou laten vallen. Probeerde je het toch weer zelf? Dacht je het met eigen inspanningen nog wat beter te maken? Geef je opnieuw aan Mij over en laat Me je opnieuw leren lopen! En leer het: Kind, jij bent altijd bij mij en al het mijne is van jou.

Bij de gelijkenis van de verloren zoon kwam ik tijdens het maken van deze inleiding steeds weer terug. Omdat er zoveel lijnen te leggen zijn naar dit gedeelte. Denk eens aan wat er in luk 15:20 staat: Innerlijke ontferming. Zoals Zacharias het zei, innerlijke bewegingen van barmhartigheid. In het ontmoeten, terugkeren naar de Vader ontmoet je een ontfermend God in Christus. Uitgestoken Vaderarmen die je ziel totaal verbreken, omdat je beseft geen kant meer op te kunnen en juist dan welkom bent bij Vader. En geloof het of niet, zo is God!. Verlustig je maar gerust in Hem, proef en smul van wie Hij is en voor je wil zijn!

Reactie toevoegen