Home | Even voorstellen | Mijn blindheid | Mijn geleidehond | Hobby's en interesses | Links | PDR Records | Gastenboek | Fotoalbum | Contact
In Coupvray,een dorpje op 45 kilometer van Parijs, wordt Louis Braille op 4 januari 1809 geboren als vierde kind van zadelmaker Simon-René Braille. In de werkplaats van zijn vader, die leder bewerkt om er tuigen, beugels en riemen voor paarden van te maken, krijgt de kleine Louis op driejarige leeftijd al spelend een mes in het rechteroog. Het oog is verloren, maar door een ontsteking van de wond, raakt ook het andere oog besmet, Louis wordt volledig blind.
Ondanks zijn handicap gaat hij met succes school in het dorp. Dankzij Jacques Paluy, de priester van het dorp, kan Louis op zijn tiende naar het Koninklijk Instituut voor Jonge Blinden in Parijs. De school werd door Valentin Haüy (1745-1821) in 1784 opgericht nadat hij zich in 1771 op de Sint-Ovidiuskermis in Parijs had geërgerd aan de manier waarop blinde musici werden bespot.
Zelf gespecialiseerd in het ontcijferen van oude en geheime geschriften, leerde Haüy de blinden lezen aan de hand van reliëfschrift, het klassieke geschrift in reliëf waarmee in 1784 een eerste boek werd gepubliceerd.
Al snel wordt duidelijk dat Braille een uitstekende student is. Hij sleept prijzen in de wacht voor handarbeid, grammatica, geschiedenis, aardrijkskunde en algebra en speelt in geen tijd piano en cello.
Intussen, we zitten nu in het jaar 1823, ontwerpt Charles Barbier de la Serre, een legerofficier, een systeem dat met combinaties van twaalf reliëfpunten klanken weergeeft. Bedoeling is dat soldaten in het duister al voelend boodschappen kunnen ontcijferen. Aangezien zijn sonografie ook door blinden kan worden gebruikt, presenteert hij zijn methode op de blindenschool in Parijs. De leerlingen reageren enthousiast. De punten blijken veel makkelijker te lezen en te schrijven dan de tot dan toe gebruikte reliëfletters.
De kleine Braille is de enige die kritiek durft te uiten. Hij vindt het systeem te ingewikkeld en merkt op dat een teken van twaalf punten te groot is om met één druk van de vingertoppen te worden gelezen.
Bovendien is voor leestekens, cijfers, rekenkundige symbolen en muzieknoten geen code voorzien. Toch bestudeert hij het klankensysteem en probeert hij het te vereenvoudigen. Hij legt allerlei aanpassingen voor aan Barbier, maar die weigert elke medewerking.
Braille zet ondanks alles zijn zoektocht voort. Twee jaar later, hij is dan nauwelijks zestien, is zijn idee van zijn zespuntsbraille uitgewerkt. Dankzij de 63 combinaties (zie ook kaderstukje 'Braille beknopt') slaagt hij erin alle letters, cijfers en leestekens in een combinatie van zes punten, die mooi onder één vingertop passen, weer te geven.
Braille dicteert de toenmalige directeur van de school, dr. Pignier, een 82 pagina's tellend verslag waarin hij zijn methode haarfijn beschrijft. Het verslag wordt in 1829 uitgegeven onder de titel 'Procédé pour écrire les paroles, la musique et le plain-chant au moyen de points, à l'usage des aveugles et disposé pour eux' (Methode voor het schrijven van woorden, muziek en gezongen liederen door middel van punten, ten behoeve van blinden en ontwikkeld voor hen). Dit verslag wordt beschouwd als de geboorteakte van het brailleschrift. In 1837 legt Braille in een tweede uitgave van zijn 'Procédé' de definitieve versie van het alfabet vast.
Hoewel het brailleschrift veel meer is dan een vervolgmaking van de methode van Barbier, refereert Braille in de inleiding wel naar hem. Alle plooien lijken gladgestreken, want Barbier erkent op zijn beurt de verdiensten van Braille.
Pas rond 1850 wordt het brailleschrift erkend door de Académie
Française, waarna het Koninklijk Instituut voor Jonge Blinden in Parijs het officieel kan invoeren. Het is in die periode dat Braille zwaar ziek wordt. Na een aantal ernstige bloedingen bezwijkt hij op 6 januari 1852 aan de gevolgen van tuberculose. Ondanks zijn uitzonderlijke verdiensten voor blinden en slechtzienden, wordt hij in alle stilte begraven op het kerkhof van zijn geboortedorp. In geen enkele krant is een artikel over zijn dood te vinden.
Twee jaar na Braille's dood wordt het brailleschrift in heel Frankrijk ingevoerd als het officiële schrift van de blinden. Gelijklopend met het brailleschrift worden nog andere systemen ontwikkeld. Die van Gall, Lucas en Moon zijn enkele voorbeelden. Het zijn voornamelijk varianten op het reliëfschrift.
Tijdens het Internationale Congres voor de Verbetering van het Lot van Blinden en Doofstommen in 1878 in Parijs, worden de verschillende schrijfmethodes met elkaar vergeleken. Na een lange discussie wordt besloten het braillesysteem wereldwijd als de enige methode te aanvaarden. Alleen in de Verenigde Staten laat de aanvaarding nog tot 1917 op zich wachten.
In 1929 buigt een commissie van specialisten uit Duitsland, Groot-Britannië, de Verenigde Staten en Frankrijk zich in Parijs over het notenschrift in braille, waarbij de muzieknoten internationaal worden gestandaardiseerd. Later wordt ook het gewone brailleschrift, dat in verschillende delen van de wereld anders evolueerde, gestandaardiseerd. Van 15 tot 21 december 1949 buigt een comité van experts zich in het Maison de l'Unesco in Parijs over de verschillende varianten van het brailleschrift. In maart 1950 wordt tijdens de Réunion Internationale pour l'Unification du Braille onder leiding van Sir Clutha Mackenzie de standaardversie van het brailleschrift wereldwijd erkend.
Twee jaar daarna, op de honderdste verjaardag van Brailles overlijden, wordt zijn verdienste eindelijk door de Franse staat erkend. De Franse president, kunstenaars, wetenschappers en tal van blinden nemen aan de ceremonie in de Sorbonne deel. Zijn stoffelijk overschot wordt overgebracht naar het Panthéon, op enkele kilometers van het Koninklijk Instituut voor Jonge Blinden waar hij zijn geschrift ontwikkelde. Braille ligt er naast andere Franse groten als Emile Zola, Victor Hugo, Claude Monet en Jean-Jacques Rousseau. Zij handen worden, op vraag van de burgemeester van Coupvray, van zijn lichaam gescheiden en worden nu nog altijd in zijn geboortedorp bewaard.
Hoewel het brailleschrift de eerste relatief eenvoudige en universeel bruikbare methode was die voor blinden en slechtzienden geschreven informatie toegankelijk maakte, kan lang niet elke blinde of slechtziende braille lezen. Piet van Dionant van de Brailleliga in Brussel licht dit toe: 'Er bestaat een hardnekkige mythe dat iedere blinde braille onder de knie heeft. Dat is lang niet zo. Voral mensen die op latere leeftijd visueel gehandicapt werden kunnen het slecht of helemaal niet. Veelal komt dit doordat ze niet meer gemotiveerd zijn of doordat hun gevoelszin al te ernstig werd aangetast.
De reden waarom bijvoorbeeld diabetici zelden braille leren is precies omdat suikerziekte niet alleen de ogen, maar ook de tastzin in de vingertoppen kan aantasten. Ook bepaalde beroepen, zoals metselaar, kunnen het gevoel in de vingers aanzienlijk verminderen.'
In vergelijking met vroeger zijn er nu trouwens proportioneel veel meer slechtzienden dan blinden. Dat komt doordat de geneeskunde veel verder is dan vroeger en ook aan preventie meer aandacht wordt besteed. De hoofdoorzaken van late blindheid zijn op dit moment suikerziekte, glaucoom, netvliesaandoeningen en maculadegeneratie. Bij blindgeborenen ligt doorgaans een genetisch gebonden factor aan de basis. Slechtzienden leren meestal geen braille omdat ze gebruik kunnen maken van grootschrift, een vergrote versie van het klassieke schrift. Handig zijn ook loepen, vergrotingssoftware en een groter scherm voor de computer.
In het kaderstukje 'Braille beknopt' kunt u lezen dat het uitgangspunt van het brailleschrift de braillecel is. Zo'n cel bestaat uit zes puntjes die al dan niet worden ingedrukt - een binair systeem dus.
Theoretisch zijn dus 64 combinaties mogelijk (twee (ingedrukt of niet) tot de zesde). Maar omdat blinden de combinatie waarbij geen enkel punt voelbaar is niet kunnen lezen, worden maar 63 combinaties gebruikt.
'Blindgeborenen lezen anders dan mensen die op latere leeftijd slechtziend of blind worden,' legt Van Dionant uit. Braille wordt gelezen met de gevoelszone van het eerste vingerkootje van de wijsvingers, de gevoeligste van alle vingers. Een blindgeborene leest met twee wijsvingers. Hij begint met de wijsvinger van de linkerhand links boven aan de pagina en schuift zo op tot in het midden van de eerste regel. Van daar af neemt de wijsvinger van de rechterhand het over. Terwijl met de rechterwijsvinger de tweede helft van de eerste regel wordt gelezen, schuift de linkerwijsvinger naar het begin van de tweede regel, en zo verder. Dit is natuurlijk niet bij elke blinde zo.
Laatblinden lezen doorgaans maar met één wijsvinger, wellicht omdat ze door te zien minder behendig zijn geworden.
Uit recent onderzoek aan de Vanderbilt University in Nashville, Tennesse, onder leiding van Ford, F.Ebner, hoogleraar Psychologie, en Peter Melzer, onderzoekassistent en professor psychologie, bleek trouwens al dat blindgeborenen voor het lezen van braille dezelfde delen van de hersenen gebruiken als die waarmee niet-blinden visuele informatie verwerken. Bij laatblinden, die blind worden door een ongeval of door een ziekte, is zelfs na een paar maanden visuele ervaring de visuele cortex al zodanig aan het gezichtsvermogen aangepast, dat het moeilijker is bepaalde delen ervan voor het lezen van braille te gebruiken. Dit zou volgens de onderzoekers één van de redenen kunnen zijn waarom laatblinden minder goed braille kunnen leren dan blindgeborenen.
Blinden lezen gemiddeld trager dan zienden. Ervaren braillelezers halen tussen 150 en 200 woorden per minuut. 'In de tijd waarin een goed braillelezer 1 pagina haalt, leest een ziende er 3,' vertelt Van Dionant. 'Voor het schrijven werden vroeger aan de achterkant van de pagina, met behulp van een brailletablet, in spiegelschrift van rechts naar links gaatjes geprikt. Aan de voorkant werden de bolletjes van links naar rechts gelezen. 'De eerste braille typemachine was de befaamde Perkins Brailler die David Abraham in 1951 bouwde. Ze geldt nog altijd als standaardmodel voor mechanische braillemachines.